Standaardprocedure OBO
Ja, ook de lozingspunten in bevaarbare waterlopen moeten onderzocht worden in een oriënterend bodemonderzoek.
De lijst in bijlage 6 is richtinggevend. U maakt steeds een inschatting van de kans op verontreiniging. Let op! In de code van goede praktijk – versie maart 2026 is een geactualiseerde lijst met risico-activiteiten met een verhoogde kans op het veroorzaken van waterbodemverontreiniging’ opgenomen.
Ja, u onderzoekt zowel de huidige als voormalige lozingspunten en andere potentiële bronnen van waterbodemverontreiniging. In welke gevallen veldwerk en analyse nodig zijn, leest u in paragraaf 4.2.14.1 Noodzaak tot onderzoek van waterbodem en oevers in de standaardprocedure Oriënterend bodemonderzoek.
Het laden en lossen van schepen met materialen waarvan de bodemsaneringsdeskundige oordeelt dat die waterbodemverontreiniging kunnen veroorzaken, wordt volgens bemonsteringsstrategie 11 beschouwd als een 'andere aanwijzing voor een waterbodemverontreiniging'. Als deze activiteit (laden en lossen) gekoppeld is aan de exploitatie op de onderzoekslocatie, moet die onderzocht worden in het oriënterend bodemonderzoek.
De evaluatie van de analyseresultaten van de waterbodem wordt gekoppeld aan de onderzoekslocatie.
Ook al zijn er geen verdere maatregelen nodig voor een eventuele bodemverontreiniging (op het land), toch krijgt de onderzoekslocatie wel een Q-zin of een W-zin door de waterbodemverontreiniging. De onderzoekslocatie kan enkel een W-zin krijgen voor waterbodemverontreiniging als eenduidig wordt aangetoond dat de waterbodemverontreiniging volledig tot stand kwam op een andere grond en dus voor 0% gerelateerd is aan de onderzoekslocatie.
In het samenvattend besluit geeft u aan of er werd of wordt geloosd op het oppervlaktewater. Als er werd of wordt geloosd op het oppervlaktewater, geeft u aan of het lozingspunt werd onderzocht. Als u waterbodemverontreiniging vaststelt, geeft u aan of die gerelateerd is aan de exploitatie op de onderzoekslocatie. Als de waterbodemverontreiniging gerelateerd is aan de exploitatie op de onderzoekslocatie, geeft u ook aan of ze volledig gerelateerd is aan deze exploitatie.
Hetzelfde geldt voor andere activiteiten of bronnen die waterbodemverontreiniging kunnen veroorzaken: U gaat steeds na of de activiteit op de onderzoekslocatie aanleiding kan geven tot waterbodemverontreiniging.
Als u besluit dat de vastgestelde waterbodemverontreiniging (gedeeltelijk) gerelateerd is aan de exploitatie op de onderzoekslocatie (> 0% toewijsbaar aan de exploitatie op de onderzoekslocatie), kent u een Q-zin toe aan de onderzoekslocatie.
Als u besluit dat de vastgestelde waterbodemverontreiniging niet gerelateerd is aan de exploitatie op de onderzoekslocatie (0% toewijsbaar aan de exploitatie op de onderzoekslocatie), kent u een W-zin toe aan de onderzoekslocatie: 'De vastgestelde bodemverontreiniging is niet tot stand gekomen op deze grond. De saneringsplicht rust bij de eigenaar of gebruiker van de grond waar de bodemverontreiniging tot stand kwam.'.
In hoofdstuk XII (Waterbodems) van het Bodemdecreet van 27 oktober 2006 is geen onderscheid voorzien tussen historische, nieuwe en gemengde waterbodemverontreiniging. In een oriënterend bodemonderzoek echter, wordt er wel een aard toegekend aan de waterbodemverontreiniging. Het is voorlopig niet mogelijk in MISTRAL een waterbodemverontreiniging toe te voegen zonder een aard toe te kennen. Een waterbodemverontreiniging krijgt een Q-zin (verdere maatregelen) wanneer deze waterbodemverontreiniging een Duidelijke Aanwijzing voor een Ernstige Waterbodemverontreiniging (DAEW) vormt, ongeacht de aard (historisch, nieuw, gemengd) van de waterbodemverontreiniging.
In het oriënterend bodemonderzoek moet het oppervlaktewater niet onderzocht worden. Als er gegevens zijn voor oppervlaktewater (bijvoorbeeld bij VMM) kunt u die wel in overweging nemen bij de DAEW, beoordeling en conclusie. U moet in een oriënterend bodemonderzoek geen uitspraak doen over de kwaliteit van het oppervlaktewater.
Als de waterbodem aan een lozingspunt wordt onderzocht in een oriënterend bodemonderzoek, wordt de evaluatie van de analyseresultaten van de waterbodem gekoppeld aan de onderzoekslocatie; dit is de grond waarop de exploitatie verbonden aan het lozingspunt in uitbating is/was. U moet dus geen grondtype 'openbaar domein' aanmaken in het oriënterend bodemonderzoek. Zie hiervoor ook p.80 in ‘Hoofdstuk 6 Beoordeling’ van de standaardprocedure oriënterend bodemonderzoek.
U beschrijft de administratieve gegevens van de gronden volgens tabel 17.
In tabel 17 vult u voor de waterloop het gemeentenummer, de sectie en de gemeente in. Het nummer van het VHA-segment kunt u ingeven in de kolom 'Adres'. De beheerder van de waterloop vult u in de kolom 'Persoon' in.
U vult de waterbodemverontreiniging ook in in tabel 26 (samenvatting van de verontreinigingstoestand per grond). De vormvereisten zijn dezelfde als voor elk ander medium; u vult als medium in: 'sediment' of 'vaste deel van de waterbodem' al naargelang het medium dat werd geanalyseerd.
Code van Goede Praktijk Waterbodems
Ja, aan een lozingspunt bemonstert u het sediment en het onderliggende vaste deel van de waterbodem (volgens paragraaf 9.2 van de code van goede praktijk Onderzoek waterbodem en oevers).
De diepte van een waterbodemverontreiniging wordt weergegeven ten opzichte van de top van het sediment (en dus niet ten opzichte van het wateroppervlak).
U doorloopt de DAEW per medium, waarbij u het sediment en het vaste deel van de waterbodem als aparte media beschouwt. U voert dus een DAEW uit voor het sediment en een aparte DAEW voor het vaste deel van de waterbodem.
In criterium 2 binnen blok 2 'Landgebruik' van de DAEW kunt u kiezen tussen Natuurgebied, Agrarisch gebied, Wonen, Recreatie en Bedrijf.
U bepaalt wat het werkelijke ruimtegebruik is op beide oevers van de waterloop in de zone van de waterbodemverontreiniging en op beide oevers ter hoogte van het aanpalend, stroomafwaarts gelegen perceel (ten opzichte van de waterbodemverontreiniging). U evalueert dit in eerste instantie op basis van de ruimteboekhouding RSV. Wanneer uit uw terreinbezoek, of uit gesprekken met de opdrachtgever of omwonenden blijkt dat het reële gebruik afwijkt van de ruimteboekhouding RSV, gebruikt u die gegevens in uw beoordeling. Wanneer er in de zone met waterbodemverontreiniging, of onmiddellijk stroomafwaarts ervan gevist of gesport wordt, hanteert u het ruimtegebruik ‘recreatie’.
Sportterreinen vallen onder 'Recreatie'.
Als u oordeelt dat er redenen zijn om af te wijken op de standaardcriteria, kunt u dit motiveren in criterium 5 'Andere aanwijzingen' van blok 4 'Andere criteria'.
Standaardprocedure BBO
Als de verontreiniging ook aanwezig is in de waterloop moet de waterloop ook opgenomen worden in het beschrijvend bodemonderzoek, zoals bij een ander openbaar domein. In het rapport vermeldt u ook het VHA-segment en de Lambertcoördinaten van de hoekpunten van de verontreinigde zone in de waterloop. U vermeldt ook de waterloopbeheerder en de eigenaar van de grond.
Als de bodemverontreiniging tot stand kwam door oeverdeponie, beschouwen we de grond waarop de oeverdeponie werd geplaatst als bronperceel.
Varia
De verwerver ontvangt informatie via een Q-zin in het bodemattest. Het bodemattest vermeldt de waterbodemverontreiniging niet uitdrukkelijk, maar wel het bodemonderzoek waarin de waterbodemverontreiniging wordt vastgesteld. De 'Uitspraak aard en ernst van de bodemverontreiniging' én de bodemverontreinigingsfiche vermelden de waterbodemverontreiniging wel.
Bij de overdracht van een grond waarop een waterbodemverontreiniging is tot stand gekomen, adviseert OVAM dat overdrager en verwerver contractueel vastleggen op welke manier zij omgaan met de verplichtingen die volgen uit de aanwezigheid van waterbodemverontreiniging.
Het onderzoek van de waterbodem in het oriënterend bodemonderzoek is in eerste instantie bedoeld om gegevens te verzamelen, om de waterbodemverkenner te voeden. Op basis van de data in de waterbodemverkenner worden prioritair te onderzoeken waterbodems geselecteerd. Waterbodems met een hoge onderzoeksprioriteit zullen worden aangewezen door de Vlaamse Regering. In het kader van een waterbodemonderzoek - dat wordt uitgevoerd door de waterloopbeheerder - worden de bronnen van verontreiniging aangeduid en wordt het aandeel van elke verontreinigingsbron in de vermengde waterbodemverontreiniging bepaald.
Een waterbodemonderzoek (hoofdstuk XII Bodemdecreet) is een apart opdrachttype. Het wordt uitgevoerd voor een (deel van) een waterloop, meestal in opdracht van de waterloopbeheerder na aanwijzing van de waterloop door de Vlaamse Regering. Een waterbodemonderzoek kan ook vrijwillig worden uitgevoerd. In een waterbodemonderzoek worden alle potentiële bronnen en alle verdachte stoffen onderzocht langsheen het te onderzoeken traject/de te onderzoeken waterloop. In een oriënterend bodemonderzoek of beschrijvend bodemonderzoek waarin de waterbodem onderzocht wordt, gaat men uit van de potentiële bronnen (bijvoorbeeld lozingspunten) en verdachte stoffen gerelateerd aan de onderzoekslocatie die het onderwerp is van het oriënterend of beschrijvend bodemonderzoek.
Het verslag van een verkennende fase van een waterbodemonderzoek wordt niet ingediend bij OVAM als er een DAEW is. U kunt dan onmiddellijk overgaan naar de afperkende fase van het waterbodemonderzoek.
Een oriënterend bodemonderzoek waarin waterbodemverontreiniging wordt vastgesteld, kunt u wel indienen bij OVAM. U hoeft dan niet automatisch over te gaan tot het uitvoeren van een beschrijvend bodemonderzoek.
Team Publieke instellingen
- Adres
- Stationsstraat 110
2800 Mechelen
Route en bereikbaarheid